Historie  l  Vijf achtergrondverhalen

Vindplaats wordt kerkdorp


Over de plaats Lunteren is al heel veel gepubliceerd. Maar waar is de dorpsnaam eigenlijk van afgeleid? Ruim negen eeuwen geleden vonden nomaden op de westflank van de Veluwe een door drassig landschap omsloten kleine heuvel. De heuvel, die wij nu aanduiden met de naam Goudsberg, bleek voor de pioniers een uitermate geschikte plaats om een nieuw bestaan op te bouwen. En op diezelfde heuvel zou later, dank zij het verbouwen van koren, de aanzet worden gegeven tot de naam van het dorp Lunteren.

Hoog en droog is niet voldoende om te voorzien in de eerste levensbehoefte. Daar komt veel meer voor kijken. De eerste bewoners moesten het toch doen met minimale middelen om daarmee in de hete zomers en ijskoude winters te overleven. Het bestaan was zeer eenvoudig van aard en afhankelijk van de in de omgeving voorkomende producten waarvan de vindplaatsen nu nog bestaan. Door de ontelbare wellen op deze plek, die overal spontaan uit de grond het kwelwater naar de oppervlakte stuwden, was er aan water geen gebrek. Een overvloed aan water en de zanderige grond zijn twee belangrijke elementen om met het verbouwen van graan in je levensonderhoud te voorzien. Daarmee hadden de bewoners als het ware goud in handen.

Het overleven van pioniers is een drift, maar zonder vindingrijk te zijn kom je de eerste blootstelling aan kou niet eens door. Een dak of ander onderkomen was dan ook van levensbelang. Met de van huis uit meegekregen kennis en ervaring werd er gebouwd aan primitieve bewoning én aan de teelt van koren. De droge en hoog gelegen zandberg met veel kwelwater was een ideale plaats voor het verbouwen van rogge. Kleinschalig en misschien niet eens voldoende voor een lange strenge winter - wie zal het weten. Daarmee was echter wel een basis gelegd om te werken aan een verdere ontginning van de omliggende gronden.
De goudgeel gekleurde zandberg werd een grotere en vruchtbaarder plaats voor nog meer korenteelt. De morgenstond met een opkomende goudgele voorjaarszon kleurde de wuivende korenhalmen tot een goudgele heuvel die naar de wijde omgeving uitstraalde. De Goudsberg stond in bloei om de zaaiers met een nieuwe oogst te verblijden. Driewerf goud zal de eerste bewoners hebben aangezet om er de naam Goudsberg aan te verbinden.
Als het koren rijp was, afhankelijk van de zomer eind juni begin juli, werden de halmen rogge in garven gebonden en opgestapeld tot een mijt. Een mijt is een kunstig rond bouwwerk. De smalle basis wordt per laag steeds ruimer van omvang en bij een hoogte van enkele meters weer kleiner totdat hij in een punt eindigt. Dan wordt hij afgedekt met een laagje gras. Deze techniek voorkomt inregenen, waardoor het graan in de herfst- en wintermaanden tegen weer en wind beschermd blijft.

In een later stadium werden de garven op de dorsvloer gelegd en gevlegeld. De korenhalmen kregen na het dorsen een andere naam: stro. De lange rechte steeltjes (linten) werden samengebonden tot lunten. Ook die werden opgestapeld en bewaard. Het koren kon heel lang, zelfs jaren, worden bewaard. Daardoor was er ook bij mindere oogsten nog graan uit voorgaande jaren in voorraad voor het bereiden van voedsel. Alles was bestemd voor eigen levensonderhoud. Behalve soms een geit voor de melk en het vlees werden er geen dieren gehouden.
De tot lunten samengebonden strootjes vormden naast het graan een heel belangrijk product dat voor tientallen doeleinden kon worden gebruikt. In de eerste plaats als middel voor bescherming tegen vrieskou. Door er, zij het primitief, matten van te vlechten om er een onderkomen van te bouwen. Andere toepassingen waren onder andere matrasvulling, hoeden, bindmiddelen, manden, korven, stoelzittingen, schoeisel en kleding.

De grotere kwellen groeiden uit tot kolken, waarin waterplanten welig tierden en watervogels over een voedselrijke bodem beschikten waar ze zomer en winter konden broeden en overleven. Aan de voet van de kolken groeiden bomen en struiken die met hun wortelstel graag in het water staan. De schietwilg bracht de toenmalige bewoners elk jaar een rijke oogst aan twijgen (schieten). Deze eenjarige twijgen werden in de winter geoogst. Dat nog zeer buigzame hout werd onder meer gebruikt om te vlechten en te binden. Het meerjarig hout deed dienst als ondersteuning voor daken, wanden en gereedschap.
De aan de oever staande knotwilgen, die schietwilgen werden genoemd, groeiden snel in omvang. De kern van de wilgenstam loste echter heel langzaam op en verging uiteindelijk, waardoor de boom hol werd. Zo ontstonden er holle knotwilgen met een buitendiameter van enkele meters, waarvan de levende en zeer gezonde buitenring slechts 15 tot 20 cm dik was. Op dit dunne randje groeiden de nieuwe schieten. Het gezonde stuk tussen wortels en kruin van de knotwilg was natuurlijk zeer geschikt om over een kleine wel te plaatsen om zodoende als waterput dienst te doen. Geen complexe bouw van een zogeheten Germaanse waterput, maar gewoon de elementen uit de natuur toepassen.

Aan de oostvoet van de Goudsberg werd later een graanmolen (meulen) gebouwd. Het vele koren uit de streek kon daar gemalen worden. Zoals gebruikelijk in die tijd werd de vloer beneden in de molen als dorsvloer gebruikt. De boeren namen hun graan en een deel van de lunten mee naar huis De resterende lunten werden bij de molen opgestapeld, terwijl het achtergebleven koren werd gemalen tot meel en verkocht. De opbrengst ging naar de eigenaar. Veel was ruilhandel. Een centrale plaats derhalve voor twee belangrijke zaken: een molen (meul) voor het malen van het graan, en de strohalmen gebonden tot lunten. Zo ontstond de naam Meulunteren. Dat zijn weinig woorden voor een in die tijd wel heel belangrijke vindplaats.
Vele eeuwen later werd er een kapelletje gebouwd. Dat kapelletje stond ongeveer in het midden tussen de dan al bestaande kerken in Ede en Barneveld. Na de bouw ervan staken in het buurtschap twee hoge gebouwen overal bovenuit: een molen (meul) in Meulunteren en een kapelletje dat Kapelle Lunteren heette. Eén Lunteren, twee aanduidingen. De molen is inmiddels verdwenen en op de plaats van het kapelletje staat nu de Oude Kerk. Het buurtschap Lunteren was overigens al een begrip voordat de molen en het kapelletje waren gebouwd. In de wijde omgeving ging de lunt immers al eeuwen van hand tot hand.

Voor de bouw van een winter- en stormvast onderkomen waren de bewoners van de streek, en dat werden er steeds meer, aangewezen op de grondstoffen uit de regio. Vervoer was alleen mogelijk door het op de rug te dragen. Dan kom je niet veel verder dan een dag heen en weer. Hout - vooral wilgen, berken en elzen - was in de omgeving ruim voorhanden en eenvoudig met de hand te bewerken. Het wilgenhout groeide overvloedig in de waterrijke Lunterse slootjes en kolken. De garden (forse twijgen) van berk of els vond je meer op de wat drogere en schrale plekken.

De garden, hoofdzakelijk berkentwijgen, kwamen uit de meer bosrijke gebieden. De wanden van de hutten werden van dit hout gevlochten en aangesmeerd met modder en geitenstront. Ook de daken, afgedekt met stro en hooi, waren zeer primitief. Alles handwerk. Een gevonden kei met scherpe kant diende als basisgereedschap. In de ijstijden zijn door de enorme druk veel rotsblokken in duizenden stukken uiteen gebarsten. Tussen dat puin zat altijd wel een geschikt hamertje of bijltje dat de bewoners gebruikten voor het bewerken van de grond.

Berken en elzen hebben veel kleine dunne twijgjes die zeer soepel en taai zijn. Daardoor zijn ze uitermate geschikt voor het vervaardigen van matten, veeggerei, windschermen, wanden, beschoeiing en van nog veel meer voor die tijd nuttige toepassingen. Deze producten waren echter zo lek als een mandje en moesten daarom worden aangesmeerd met leem. Of, als dat niet beschikbaar was, met schapen- en geitenstront. Wanden werden versterkt met heideplaggen en op de daken werd stro (als riet) gebruikt. De dunne twijgen waren ook uitermate geschikt om in combinatie met stro het vuur aan te maken. Hars, een voor die tijd heel belangrijk product, diende om naden en kieren af te dichten. Hars doet denken aan wierook, kaarsen en lijm maar nog veel belangrijker is de toepassing voor geneesmiddel. Zo is Haarlemmerolie een product dat uit hars werd (en nog wordt) gewonnen. De geneesheer zal het in die tijd hebben voorgeschreven. Een propje achter je kiezen om op te pruimen. Ook de bast van wilgenbomen bevatte geneeskrachtige sappen die daarom ook vaak als pruimpje dienst deed.
Hars wordt gewonnen uit naaldbomen die op geheel andere gronden groeien dan loofbomen. Deze schrale droge stukjes grond, ook wel kampen genoemd, waren weer minder geschikt voor het verbouwen van graan en groenten. De behoefte aan hars was door zijn vele toepassingen groot. Kaarsen, wierook en geneesmiddel zijn niet de grootste. Voor het bij elkaar houden en dichten van vlechtwerken was hars van wezenlijk belang.

De schrale gronden en de vele heidevelden waren ongeschikt om er dieren op te laten grazen. De bewoners hadden als aanvulling op meel als hoofdvoedsel ook behoefte aan vlees. Dat bestond hoofdzakelijk uit gevleugelde dieren. Naast de watervogels die er al leefden trok het verbouwen van koren andere dieren aan. In hoofdzaak fazanten en patrijzen kwamen op de rijke korenvelden af om er te broeden en te overwinteren. Dat waren natuurlijk gemakkelijke prooien. De vele poelen vormden broedplaatsen voor eenden. Een plaats voor meer wildconcentratie is een Loo. Hoenderloo is een plek waar de hoenders zich goed konden voeden en schuilen. Op de Veluwe zijn deze nu ruim vertegenwoordigd.
Daarmee is de voedselbron nog niet volledig. De vele watertjes en beekjes van die tijd waren ook een leefomgeving voor vis die zeker werd gevangen en opgegeten. Maar de visjes waren klein, zodat bij een groeiende bevolking de watertjes snel waren leeggevist.

De natuur is de vindingrijkste bron van de gehele aarde. Daar waar voldoende vis zit, leven ook viseters die op hun beurt weer een voedingsbron vormen voor de mens. De samengestelde namen Otterloo en Hoenderloo zijn dan ook belangrijke aanduidingen voor wat de bewoners er aan voedsel konden vinden. Ze staan niet los van elkaar. De otter was de leverancier van pels en de pels op zijn beurt vormde een belangrijke grondstof voor het maken van kleding en schoeisel ter bescherming tegen regen, kou en wind.

Heel veel later, wanneer de bewonersgroep sterk is gegroeid, ontstaat er behoefte aan een ruimer aanbod van groente én aan het verbouwen ervan. De schrale gronden van zand en heide rond Lunteren zijn daarvoor niet geschikt, maar tegen Barneveld aan ligt een oase. Het nu bij ons bekende Esveld, afgeleid van essen.
Het uitruilen van producten onder elkaar was een vorm van handel die iedereen kon voorzien. Het gaat om eerste levensbehoeften als graan, vlees (hoenders) en vis tot zaken als stro, hars en rijshout. Deze groeiende behoefte aan producten zorgde ervoor dat door ontginning plekken ontstonden waar meer en meer concentratie plaatsvond. Wegen of routerkaarten bestonden toen niet. Had je tien bos garde nodig, dan liep je het pad naar Garderen af. Vaak met meer mensen tegelijk. Verwijzen was het noemen van. En zo veranderden namen als aanduiding van producten op hun beurt tot DE vindplaatsen!

De basisnaam van een product werd met een afbakening aangevuld. De hoenders leefden in een Loo. Hoenderloo dus. De otters leefde samen met de vissen in een Loo. Precies, Otterlo. De lunten werden in een klein omsloten gebied, de Goudsberg, uit graanhalmen (zie de foto op de pagina’s 4/5 van Wegwies 2!) gewonnen. Het kerkdorp Lunteren! En de hars werd gehaald uit naaldbomen die op kleine stukjes arme grond (kampjes) groeiden. Harskamp dus. Zo zijn honderden zo niet duizenden dorpen en steden in ons land van een naam voorzien. Een mooi voorbeeld vind ik IJsselstein: stenen huis aan de IJssel.

Het 'goud' van Lunteren



Voor veel erven en wegen uit de buurt is in Lunteren grind gehaald. Halverwege de negentiende eeuw was de Lunterse Berg aan de beurt. Het afgraven van een halve kubieke meter grind kostte in 1852 een kwartje, een kuub dus 50 cent. Behalve moeilijk was het graven van grind ook knap gevaarlijk, wilde je niet onder het grindzand bedolven worden. Gelukkig kwamen ongelukken met fatale afloop slechts sporadisch voor.

Het beroep van grindgraver bestaat niet meer. Gerrit (Gaart) Klok, getrouwd met een zuster (Gerritje) van de toenmalige boswachter van het Luntersche Buurtbosch Willem Boon, was de laatste. “Hij heeft het beroep met handkracht uitgevoerd”, vertelt Peter Klok, een van zijn kleinzonen die in het dorp een schoenenzaak had. “Hij ging elke dag met de fiets naar de Lunterse Berg, met een transporthekje aan het stuur om van alles mee te kunnen nemen. Opa Klok was de enige van mijn grootouders die fietsen kon, de anderen deden alles lopend, of met paard en wagen. Met de bats werkte hij het grind naar boven om te sorteren. Vanaf begin 1900, toen de spoorlijn eenmaal een feit was, kreeg hij regelmatig bezoek van vakantiegangers uit de Randstad die de groeven en de plaggenhut wilden zien. Ze werden ontvangen in de schuilhut die bij elke grindgraverij aanwezig was en waar na het werk het gereedschap opgeborgen werd. De wandelaars, toeristen zouden we vandaag zeggen, logeerden in plaatselijke hotels en pensions.”

Op diverse plaatsen in de omgeving van de Goudsberg zijn nog sporen van grindgroeven te vinden. Peter: “Als kind mocht je nooit naar het grindgat van opa wegens het gevaar van instorten. Je mocht wel met je ouders. Zo’n wandeling gebeurde dus eigenlijk alleen maar op een feestdag, met je opa en je vader. Dan kreeg je uitleg van opa over de grindvoorraad die in stralen door de wanden van de afgraving te zien waren. Fijn of grof grind en metselzand dat nog naar boven gebracht moest worden. Hij vertelde ook over het zoeken naar grind, mijn opa. Dat zocht hij door een ijzeren staaf in de grond te steken, of peilgaten te graven. Die gaten liet hij altijd open liggen. Dat leverde nog wel eens een konijntje op dat dan in de pan terechtkwam.”

Peter kan zich nog goed herinneren hoe het gedolven grind door een voerman met paard en wagen, de stortkar, uit de groeven gereden werd. “Met een paard ervoor moest eerst de halve vracht naar de weg gebracht worden. Die werd dan leeg gekieperd, waarna de andere helft werd opgehaald. Ook naar de weg, de eerste helft er weer bij laden en vervolgens werd het grind in Lunteren of omgeving bij de klant afgeleverd. Opa Klok, een hele stille man, heeft dat beroep zijn leven lang uitgeoefend. Zonder ook maar één dag vakantie, dat bestond nog niet in die tijd. Op 74-jarige leeftijd zette hij er in 1947 een punt achter. Lichamelijk kon hij het niet meer aan. Ook een rol speelde de opkomst van de vrachtauto, de Jacobsladder en de graafmachine. Als je met hem door het dorp liep, zei hij wel eens: ‘Kijk, dat is al geen berggrind meer, maar riviergrind. Daar zit veel meer blauw in. Berggrind ziet meer geel en wit, dat is mooier.’ Zijn laatste grindgat vind je nog aan de Immenweg.”

De Lunterse Beek: eigenzinnig stroompje, kwelgeest van Amersfoort

- Door Kees van Burgsteden

De Lunterse Beek ontsprong heel vroeger een paar kilometer onder Kootwijk en was een lekker eigenwijs stroompje dat met zijn vele honderden grillige bochten door het landschap kabbelde tot aan de Amerdelta bij Amersfoort. Maar wat is ‘oorspronkelijk’ en kunnen we daar nog informatie over terugvinden? Het Waterschap Vallei & Eem heeft letterlijk en figuurlijk alles uit de kast gehaald om daar meer inzicht in te krijgen. Duizenden verslagen uit het archief van de vroegere waterschappen en waterschapjes, soms maar een paar grondbezitters groot, zijn verwerkt in twee prachtige boekwerken: deel 1 Amersfoort lag aan zee (777-1616) en deel 2 Een vallei vol water (1616-2011). Samen vormen die de kroniek van 12 eeuwen waterhistorie, van Gelderse Vallei tot Zuiderzee.

De Lunterse Beek heeft altijd een zeer belangrijke functie gehad in de afwatering van de Gelderse Vallei naar de Zuiderzee. Het kwelwater was helder en schoon. Veel bewoners in de Vallei vestigden zich aan de Lunterse Beek. Zo ontstonden er buurtschapjes en dorpjes: De valk, Westeneng, Meulunteren, Lunteren, Renswoude, Scherpenzeel, Woudenberg en Leusden. Ook Amersfoort maakte bij de aanleg van de stad dankbaar gebruik van het schone, heldere water uit de Lunterse Beek. De beek kwam het centrum van Amersfoort aan de zuidkant binnen. Een ideale plek om met het heldere water de grachten rond de stad op peil te houden. Aan de noordkant van de stad stroomde het overtollige water de Amerdelta (Amer heet tegenwoordig Eem) in.

De Lunterse Beek stroomde eeuw na eeuw onverstoord door het landschap. Soms verrast door een uitbraak van de Rijn die het hele valleigebied onder water zette. Landontginningen aan beide zijden van de beek namen toe. De bevolking groeide en dat was gunstig voor de grondbezitters langs de beek. Zij verpachtten de vruchtbaar gemaakte grond aan pachters die er hun gewassen op konden verbouwen. De oogst van de gronden bracht geld op voor de pachters en daarmee ook voor de grondeigenaren.

Door de vele ontginningen in het stroomgebied van de Lunterse Beek, met afwatering op de beek, groeide het wateraanbod sterk en dat kon Amersfoort niet meer verwerken. Door de sterke onderstroming kwamen er grote hoeveelheden zand en modder mee. Dat veroorzaakte in Amersfoort keer op keer dicht geslibde grachten. De doorstroming van het Lunterse beekwater naar de Eem blokkeerde volledig. Een ander probleem was dat door de hoge waterstanden het water uit de beek via de slootjes terugliep. De gewassen op de ontgonnen gronden langs het Utrechtse deel kwamen daardoor onder water te staan. Hier werd niemand gelukkig van. De Utrechters begonnen het water uit het Gelderse deel van de beek te weren door dammen op te werpen en heulen (duikers, soort buizen) dicht te stoppen. Menig geschil is in de zestiende eeuw uitgevochten. Soms zelfs letterlijk. Voor dit probleem moest een oplossing worden gevonden. De grondbezitters waren bij de huidige situatie niet gebaat. Geen vruchtbare gronden betekent geen pachters en dus geen opbrengst. Het Gelderse deel van de Vallei was voor de afwatering naar de Eem helemaal afhankelijk van Utrecht. Een andere mogelijkheid om het water af te voeren was er niet. De Eem en de Zuiderzee, waar al het water uit de Gelderse Vallei naar toe moest, lagen nu eenmaal op Utrechts grondgebied.

De oplossing liet niet lang op zich wachten. Grote grondeigenaren van Utrecht en Gelderland besloten om de afwatering van de Gelderse ontginningen niet langer af te voeren op de Lunterse Beek, maar op de Barneveldse Beek en de Esvelder Beek. Die liggen in hetzelfde stroomgebied en ook nog eens vlakbij. Ook de al bestaande afwateringen op de Lunterse Beek konden worden omgeleid naar die twee beken. De stroming van de Barneveldse Beek en de Esvelder Beek naar de Eem was korter en door minder bochten ook nog eens veel sneller. Een bijkomend voordeel voor Amersfoort was dat ze beide aan de andere kant van Amersfoort direct in de Eem uitmondden. Ook werd besloten dat ontginnen van boven naar beneden geen enkele zin heeft als de afwatering door de Eem naar de Zuiderzee niet op orde is. (Dat zou pas in de twintigste eeuw gebeuren.)
Door die ontwikkeling kwam de ontginning met afwatering op het bovenstroomse deel van de Lunterse Beek tot aan het dorp Lunteren nagenoeg stil te liggen. Kwelwater in het gebied was er steeds minder, waardoor de Lunterse Beek langzaam verlandde en uit het landschap begon te verdwijnen. Hervatting van ontginning kwam pas eeuwen later weer op gang. De afwatering zou dan door de Barneveldse Beek en de Esvelder Beek lopen.

In de jaren 1935 tot 1941 werd het Valleikanaal gegraven. De Lunterse Beek sluit bij Scherpenzeel aan op dat kanaal. Aan de andere kant van het Valleikanaal lopen nog delen van de Lunterse Beek, maar die hebben een andere naam gekregen. Een deel heet nu Oud-Lunterse Beek en vanaf Woudenberg naar het centrum van Amersfoort is het Heiligenberger Beek geworden.

Lunteren uit z’n isolement dankzij ‘de Kippenlijn’

- Door Peter van Beek -

In 1878 werd een concessie aangevraagd voor de aanleg van een tramlijn van Wageningen via Ede, Lunteren en Barneveld naar Nijkerk. Daarmee werd een verbinding tussen de Rijn en de Zuiderzee mogelijk. Het uitgewerkte plan ging een jaar later naar de minister van Waterstaat. De animo was groot en het traject tussen Wageningen en Ede kon daardoor al in 1882 worden geopend.

Vanuit vooral economische motieven werd ook het traject Ede-Nijkerk zeer gewenst. De vraag voor bijvoorbeeld de gemeentebesturen was echter of de lijn wel exploitabel genoeg zou zijn. Zowel Ede als Nijkerk had tenslotte al een spoorwegverbinding (die overigens van oost naar west liep en niet in de gewenste richting noord-zuid). Daar kwam bij dat veel boeren de te verwachten hoge snelheden vooral voor het vee bezwaarlijk vonden. Verder kleefden er nogal wat bezwaren aan de voorgestelde smalspoorverbinding, die zou namelijk dwars door de dorpen heen gaan lopen. En niet de minste reden: de gemeenteraad van Nijkerk wilde niet dat er op zondag gereden werd. Dat leverde in die stad zelfs een heuse ‘tramopstand’ op. Om de tramlijn te redden werd koning Willem III geraadpleegd. Die toonde zich zeer positief over de plannen, maar met name Nijkerk bleef dwarsliggen. Initiatiefnemer Willem baron van Goltstein van Oldenaller uit Putten, de oud-minister van Koloniën, kon toen niet anders dan de handdoek in de ring gooien. Einde mooie plannen.

Ondanks alle tegenwind waren er toch genoeg argumenten om met een nieuw plan te komen. De Nederlandse Rhijn-spoorweg Maatschappij (NRM) zou de aanleg en exploitatie van een lokaalspoorweg buiten de dorpen om gaan realiseren. In 1889 werd hiervoor een concessie afgegeven. De stations zouden dicht bij de dorpskernen worden aangelegd. De beloftevolle plannen leken heel realistisch. Totdat de NRM opging in de toenmalige Staatsspoorwegen (SS). En die organisatie zag er weinig heil (lees: geld) in om kleinere lijnen te exploiteren. Opnieuw: einde van de plannen. Maar zie: in 1894 pakte een commissie met nieuwe mensen de plannen weer op. Twee jaar later werd de Spoorwegmaatschappij De Veluwe (SMV) opgericht. De minister keurde de plannen goed en de Tweede Kamer verleende een renteloos voorschot om de aanleg mogelijk te maken. In 1899 werd het contract getekend en het jaar daarop volgde goedkeuring van de aansluiting bij station Ede-Wageningen. Een praktisch probleem hoe de bestaande spoorverbinding Amersfoort-Zutphen te kruisen, werd opgelost door een spoorbrug in de plannen op te nemen.

In 1901 werd de aanleg van de spoorbaan en van de wissels aanbesteed voor het baanvak Ede-Barneveld. Aanbesteding volgde ook voor de bouw van stations en opstapplaatsen. Voor Lunteren betekende dit een eigen station en daarmee een goede verbinding met de ‘buitenwereld’. Ook in Barneveld en Ede-Dorp waren stations gepland. Opstapplaatsen werden aangelegd in Meulunteren en in de Doesburgerbuurt. Aan de Stompekamp in Ede kwam een los- en laadplaats. Ingehuurde polderjongens, die in houten keten langs de lijn bivakkeerden, tekenden voor het werk aan de baan. Het benodigde zand en grind kwam vooral van de Goudsberg. Speciaal daarvoor werd een apart spoorlijntje naar de zandafgraving aangelegd. Op 1 mei 1902 werd het baanvak Ede-Barneveld feestelijk in gebruik genomen. Onvoorziene omstandigheden zorgden ervoor dat het baanvak Barneveld-Nijkerk pas per 1 december 1903 kon worden geopend. Plannen om nog zijlijnen te realiseren - van Lunteren naar Harskamp en van Lunteren naar Veenendaal - liepen uiteindelijk op niets uit.
De exploitatie werd tussen 1901 en 1919 uitgevoerd door de Nederlandse Centraal Spoorwegmaatschappij (NCS). Daarna nam de Spoorwegmaatschappij De Veluwe het stokje over, tot 1937. Elk station had eigen personeel en ook waren er mensen nodig voor de toen nog onbewaakte spoorwegovergangen. Stoomlocomotieven en prachtige rijtuigen verzorgden een prettig vervoer van de passagiers, bewoners en gasten. Totdat in 1932 de lijn niet meer rendabel bleek en Staatsspoorwegen verdere exploitatie niet langer zag zitten. Ondanks de vele bezwaren werd vier jaar later eerst het goederenvervoer over het spoor stopgezet. In augustus 1937 werd ook het personenvervoer tussen Bareveld en Nijkerk gestaakt. Er kwam een vervangende autobusverbinding. De NS bleef de exploitatie op de lijn Ede-Barneveld wel voortzetten.

In de loop van 1944 werden regelmatig bombardementen op treinverbindingen uitgevoerd. Hierdoor zetten de Duitsers de kleinere lijn via Lunteren vaker in voor munitietransporten. Dat leidde weer tot een aanslag door het verzet tussen Lunteren en Barneveld in de nacht van 14 april 1945. Door de schade aan de lijn zette de Veluwse Autobus Dienst (VAD) vanaf dat moment vervangend busvervoer in. In 1949 startte de elektrificatie van de lijn, die vanaf 12 mei 1951 weer volledig gebruikt kon worden. Het stationsgebouw van Lunteren had de oorlog gelukkig ongeschonden overleefd, zij het dat de bestemming van het pand door de moderniseringsslag van enkele decennia drastisch was veranderd. Sinds 2002 kennen we de Valleilijn, maar door de lokaal ingeburgerde benaming de Kippenlijn blijven velen nog altijd denken aan waar het allemaal ooit mee begonnen was: het vervoer van pluimvee en eieren naar markten in de wijde omgeving. Zo had Barneveld in die dagen een van de grootste eiermarkten van ons land. Doemscenario afgewend In 1974 dreigde zowel het spoorwegstation als het stationsgebouw uit Lunteren te verdwijnen. Om dat te voorkomen werd onder aanvoering van Pier Hoekstra krachtig actie gevoerd. Zo kreeg de toenmalige minister van Verkeer en Waterstaat een lawine aan handtekeningen over zich heen. De acties hadden succes. Station Lunteren, een van de stations aan de Kippenlijn, bleef bestaan. En de sloop van het stationsgebouw werd op het allerlaatste moment afgeblazen.

Lunteren, 75 jaar bevrijd!

- Door Martijn Stöfsel -

De Veluwe is in april 1945 bevrijd. Na D-Day, op 6 juni 1944, trokken de geallieerden noordwaarts. Via Nederland wilden ze het Ruhrgebied aanvallen. Nederland ten zuiden van de grote rivieren werd zodoende al in september 1944 bevrijd. Na het mislukken van de operatie Market Garden moest Noord-Nederland helaas nog de hongerwinter doormaken. Uiteindelijk zijn de geallieerden vanuit Duitsland Noord-Nederland ingetrokken. Lunteren is op 16 april 1945 bevrijd.

Lunteren is bevrijd door het vijfde Canadese legerkorps. Dat had in de ochtend van 16 april een tijdelijk kampement opgeslagen boven op de Goudsberg. Op een verkenningstocht van een Canadese patrouille werden de wagens van vluchtende Duitsers voor De Wormshoef (het martelcentrum van de Duitse Sicherheitsdienst) kapot geschoten. Op die 16de april was Lunteren overdag een soort niemandsland. De Duitsers waren gevlucht, de Canadezen kwamen vanaf de Goudsberg zo nu en dan naar het dorp toe. Zij onderzochten in kleine groepen systematisch elk huis om te kijken of er nog Duitsers zaten. Er zwierven namelijk nog Duitse soldaten door de bossen. Twee Lunteranen zijn op de Bevrijdingsdag van Lunteren nog om het leven gekomen door ‘oorlogshandelingen’. Daarna, aan het begin van de avond van 16 april 1945, rolden de Canadese tanks Lunteren binnen en was ons dorp bevrijd!

“We hoorden om een uur of acht ’s avonds een geluid alsof er een trein in aantocht was. Ineens zagen we veel mensen hard lopen in de richting van de Dorpsstraat. Ze riepen: ‘De Tommy’s, de Tommy’s (dat was een algemeen gebruikte term voor geallieerde militairen, hoewel het eigenlijk een naam is voor alleen Britse soldaten) komen er aan’. Na ongeveer een half uur kwamen de tanks. “Het was geweldig: ongeveer vijfendertig tanks, volop versierd met bloemen. Allemaal Canadezen. Het was fantastisch onze bevrijding een feit te zien worden.”

De fronttroepen van het vijfde Canadese legerkorps trokken na de bevrijding van Lunteren weer door in de richting van de Grebbelinie, waar de Duitsers nog fors weerstand boden. Na de zwaarbewapende Canadese frontroepen kwamen er andere, lichter bewapende Engelse troepen. Met name de Britse divisie ’Polar Bears’ van het 49ste infanteriebataljon, dat zich meer richtte op de uitvoering van de bevrijding en de ordehandhaving. De Britten waren gelegerd in de Julianaschool aan het begin van de Julianastraat. Ze hadden ook een tentenkamp in de buurt van wat nu de Hertenlaan is. Er stond ook een tentenkamp op het terrein van wat later hotel Eekhoorn was, waar je nu de woonwijk Paardenwei vindt.

Pas in november 1945 vertrokken de laatste geallieerden uit Lunteren. Dit werd plechtig gevierd met toespraken vanaf het balkon van hotel De Veluwe (waar nu het oude gebouw van de Rabobank staat) en met een parade.

Er waren die eerste dagen allerlei bevrijdingsfeesten in het centrum van Lunteren. “De hele Dorpstraat was één grote massa mensen. Van de kerk tot aan de molen! En de Canadezen, die schoten met hun revolvers en hun stens dat het knetterde. Fantastisch was dat. Het was een explosie van de bevrijding. Iedereen had zolang moeten oppassen.” In die eerste weken vonden er ook voetbalwedstrijden plaats tussen de Lunterse voetbalclub en teams van geallieerde militairen.

Vanaf het moment van de bevrijding toonde de verzetsmensen zich openlijk op straat. Hun ‘uniform’ was een blauwe overall en een oranje armband. Ook droegen zij wapens. De gezamenlijke verzetsgroepen waren verenigd in de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, in de praktijk afgekort tot BS. De commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten in Lunteren was Driekus van de Pol. Direct na de bevrijding namen de BS de ‘foute’ Nederlanders gevangen. Dat waren NSB’ers, maar ook mensen van de Sicherheitsdienst en de Landwacht. Meisjes van wie men wist, of dacht, dat ze relaties hadden gehad met Duitsers of Duitsgezinde mensen werden ook opgepakt. Zij werden nogal eens zeer vernederend behandeld en kaal geschoren.

Ter herinnering aan de bevrijding is er in 1995 een bank met gedenksteen geplaatst. Die staat naast de Oude Kerk, tegenover ijssalon Portofino.